Coaching in de Cultuur logo

In 2001 werd onder verantwoordelijkheid van prof. dr. Agneta Fischer van de Universiteit van Amsterdam en zogenaamde nulmeting uitgevoerd. Ten eerste werd nagegaan hoe de man-vrouw verdeling in de verschillende cultuursectoren is, en ten tweede wat mogelijke verklaringen voor deze verdeling zijn.

CIC zet zich in om opnieuw een dergelijk onderzoek te laten uitvoeren. Is de situatie inmiddels verbeterd of verslechterd? Recent werd gemeld dat de instroom in de culturele sector sterk feminiseert (ruim 80% vrouwen op de HBO-kunstopleidingen). Bij de recente reeks benoemingen op sleutelposities in de sector lijken weer veel vacatures opgevuld te worden vanuit een traditioneel profiel voor effectief leiderschap.
Tijd om de feiten te onderzoeken.

Het glazen plafond in de culturele sector

Uit onderzoeken naar het glazen plafond is algemeen bekend dat de bestaande cultuur van organisaties, dat wil zeggen de heersende waarden, normen en opvattingen over zaken als arbeid, de verdeling arbeid en privé-leven, leiding geven et cetera, voor vrouwen barrières opwerpt. De vraag is of dat in dezelfde mate geldt voor de kunstwereld, waar immers talent en kwaliteit de doorslaggevende factoren in een carrière heten te zijn. Om een beeld te krijgen van de situatie in de kunstwereld werd in 2001 onder verantwoordelijkheid van prof. dr. Agneta Fischer van de Universiteit van Amsterdam en zogenaamde nulmeting uitgevoerd. Bij dit onderzoek waren in totaal 413 organisaties binnen 5 kunstsectoren betrokken (beeldende kunsten, theater, muziek, cultureel erfgoed en media). Ten eerste werd nagegaan hoe de man-vrouw verdeling in de verschillende cultuursectoren is, en ten tweede wat mogelijke verklaringen voor deze verdeling zijn.
Het aantal vrouwen in leidinggevende posities is vergeleken met andere maatschappelijke sectoren relatief hoog, namelijk 31%. In de media is de verhouding het scheefst (21%), in de beeldende kunsten het meest in balans (43%). Opvallend is dat vrouwen vaker zakelijk leidinggevende functies hebben dan artistiek leidinggevende. In de grote culturele instellingen is hun aandeel in de hogere leidinggevende functies zeer gering.
Ter verklaring van de achterstand van vrouwen in hogere functies is gekeken naar de feitelijke en gewenste organisatiecultuur binnen de verschillende sectoren. Het blijkt dat sectoren, waar minder vrouwen werken, lager scoren op feminieme cultuurdimensies zoals het benadrukken van collegialiteit en de mogelijkheid om privé en werk te combineren. Bovendien is in alle culturele sectoren sprake van een masculien beeld van leiderschap: men vindt dat leidinggevenden vooral stressbestendig, ambitieus, analytisch, zelfverzekerd en wilskrachtig moeten zijn. Over het algemeen worden aan vrouwen minder van deze eigenschappen toegeschreven, waardoor hun kans om in leidinggevende functies terecht te komen kleiner is dan die van mannen. Een van de aanbevelingen van het rapport luidt: om ook voor vrouwen in grotere organisaties de kansen te maximaliseren, zouden de succesfactoren uit kleinere organisaties geïmplementeerd moeten worden in grotere organisaties.
Het onderzoek van Agneta Fischer werd in het najaar van 2001 afgerond.
De resultaten vormden het uitgangspunt voor de conferentie De Macht van het Imago (TIN, 22 januari 2002).

De publicatie Het glazen plafond in de culturele sector. Feiten en verklaringen (Agneta Fischer, Krystyna Rojahn, Inkie Struyk, Universiteit van Amsterdam, 2002) zijn te bestellen bij TIN

 

ga terug naar onderzoek